Vrijmetselaars Podcast - verkenning van de vrijmetselarij
Mijn naam is Sander en in deze podcast interview ik vrijmetselaars en betrokkenen om samen antwoorden te vinden op vragen als: wat is vrijmetselarij, wat doen vrijmetselaars en hoe word je lid? Ontdek de betekenis, symboliek en verhalen achter de vrijmetselarij — en krijg een helder beeld van wat het écht is… en wat niet. Elke maand komt er een nieuwe aflevering online.
Vrijmetselaars Podcast - verkenning van de vrijmetselarij
54 - Sander leest het Regiusgedicht
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Een bijna 800 regels lang middeleeuws gedicht als luisterervaring, en tegelijk een directe blik op de wortels van vrijmetselarij. We nemen je mee naar het Regiusgedicht, ook wel het Regiusmanuscript of Halliwell manuscript genoemd, en laten horen waarom deze tekst zoveel meer is dan een curiositeit uit een archief. Terwijl we hardop voorlezen, voel je de wereld van gilden, bouwplaatsen en meesters oplichten, met regels die bedoeld zijn om werk en gemeenschap overeind te houden.
We praten over de datering en herkomst, de plek van het manuscript in de British Library, en vooral over de inhoud: geometrie als moreel kompas, Euclides als voorbeeld van leren en doorgeven, en het beeld van bouwen aan een geestelijke kerk of tempel der mensheid. Dat raakt aan kernwoorden die je herkent uit de speculatieve vrijmetselarij, maar hier nog zichtbaar vastzitten aan het operatieve metselaarsambacht. Het is precies die overgang van handwerk naar hoofdwerk die deze bron zo interessant maakt voor iedereen die zoekt naar betekenis, traditie en symboliek.
Daarna komen de “vijftien wetten” en de aanvullende bepalingen: eerlijk loon, geen voorkeursbehandeling, kwaliteit boven status, geen achterklap, geen onderkruiperij, en een duidelijke waarschuwing tegen gedrag dat het gilde schade doet. Zelfs thema’s als conflictbeheersing, discretie en verstandig omgaan met geld krijgen een plaats, en ja, ook die memorabele regel over “de vrouw van de baas” komt voorbij. Luister mee, deel de aflevering met iemand die van geschiedenis en moraal houdt, en abonneer je zodat je het vervolg over de oude plichten niet mist. Laat ook een review achter of stuur ons jouw reactie: welke regel uit het Regiusgedicht zou vandaag het meest verschil maken?
Regiusgedicht - https://www.uitgeverijfama.nl/product/het-regiusgedicht/
Bronnen: https://searcharchives.bl.uk/catalog/040-002107232 https://freemasonry.bcy.ca/texts/regius.html
🙋♂️ Ik vind het leuk als je contact met me opneemt. Dat kan via:
📧 E-mail - vrijmetselaarspodcast@gmail.com
📸 Instagram - VrijmetselaarsPodcast
👍 Facebook - VrijmetselaarsPodcast
📰 Substack - VrijmetselaarsPodcast
🧑💻 Website - https://vrijmetselaarspodcast.buzzsprout.com
🫙Luister je graag naar de Vrijmetselaars Podcast en wil je een fooi geven? Dat kan! Ga naar Fooienpod en doneer vrijblijvend éénmalig of maandelijks een zelf te bepalen bedrag. Alvast bedankt!
Openingsvers En Doel Van De Podcast
SanderMogen de goede God ons alles geven een lang en gezond, goed en deugdzaam leven? En handel de wijs en nimmer dwaas door naar bed te gaan met de vrouw van de baas. Welkom bij de 54ste aflevering van de Vrijmetselaars Podcast. Mijn naam is Sander en in deze podcast interview ik elke aflevering een vrijmetelaar of een persoon gelinkt aan de vrijmetselarij om samen met jou, de luisteraar, antwoorden te vinden op vragen over de Vrijmetselarij. Op deze manier hoop ik een helder beeld te scheppen wat de Vrijmetselarij nu werkelijk is en wat het niet is. In deze aflevering heb ik niemand te gast. Ik publiceer deze maand een tweeluik. Ik ga namelijk voor jullie het regengedicht en de oude plichten behandelen of nou ja, behandelen, ik ga ze eens even voorlezen met een kleine introductie. De oude plichten en eigenlijk qua tijd daarvoor nog het regiusgedicht. Dus iets wat de meeste vrijmetselaars waarschijnlijk wel kennen. Misschien ooit was doorgelezen hebben en misschien ook niet, dan is dit een mooi moment om daar weer bij stil te staan.
Waarom Het Regiusgedicht Belangrijk Is
SanderDeze aflevering gaat dus over het Regusgedicht, of het regiusmanuscript, wordt het ook wel eens genoemd. Maar voordat ik dat ga voorlezen, is het goed om even stil te staan bij de geschiedenis van deze tekst. Want het is wel belangrijk om te weten dat het van te voren het regjesgedicht wordt vaak gedateerd rond 1390. Maar tegenwoordig is er ook een datering in de eerste kwart van de 15e eeuw. Het regisgedicht wordt door de British Library niet zo stellig gedateerd. En beschrijft het gewoon als een middeleeuws gedicht over het metselaarsanbacht. Dan komen we al in de buurt van de vrij metselaars. Maar goed, het regisgedicht, dus ook wel het regismanuscript of het Halliwell manuscript, is een van de oudst bekende documenten die rechtstreeks met de geschiedenis van de vrijmetsarij verbonden is. Het is geschreven in Middel Engels en het is in de vorm van een lang gedicht, vandaar ook regiusgedicht. Het gedicht, en dat wordt wat, want ik ga het dus voorlezen, is bijna 800 regels lang. En wordt dus gedateerd rond het einde van de 14e of begin van de 15e eeuw. Dat is een beetje wisselend, want de precieze datering staat niet helemaal vast. De tekst gaat in eerste instantie niet over de vrijmetselarij zoals wij die vandaag kennen, maar het gaat over het middeleeuwse metselaarsambacht. Dus het vak van bouwers, van kathedralen, kerken en andere grote bouwwerken. Het gedicht vertelt deels de legarische geschiedenis van geometrie en metselkunst. Daarbij wordt onder meer Euclides genoemd, en wordt verteld over de kunst van de geometrie, hoe die uiteindelijk naar Engeland zou zijn gekomen onder koning Ethelstam. Daarna volgen de voorschriften voor meesters en gezellen. Als jullie horen, we hebben het altijd over de leerling, gezel en meester. Maar in die tijd zal niet zeggen dat de leerling niet bestond, maar ging het vooral over gezellen en meesters. Het ging over regels, over goed vakmanschap, eerlijk gedrag, loyaliteit en de manier waarop metselaars met elkaar en met anderen behoorden om te gaan. Een belangrijk deel van die tekst is dus eigenlijk een verzameling zogenaamde, nou ja, daar komt het al in voor, old chargers, oftewel oude voorschriften. Oftewel de oude plichten. Dus oude voorschriften en overleveringen van het metselaars gilde. En ook bevat het gedicht een hoop religieuze en morele lessen, bijvoorbeeld over de kerk en goed gedrag. En daar ligt eigenlijk de verbinding met de vrijmetselarij. Want in de moderne, speculatieve vrijmetsarij, die ontstond pas vele eeuwen later in haar huidige vorm. En het regjesgedicht is dus niet geschreven voor een vrijmetelaars losje zoals wij die tegenwoordig kennen. Het is echt een document uit de wereld van de middeleeuwse zogenoemde operatieve metselaars. Dus de speculatieve en de operatieve speculatieve, dat is dan de vrijmetelaars. Dus die metselen niet echt met de handjes, maar meer met het hoofd. En de operatieve metselaars die metselen met de handen natuurlijk ook wel met het hoofd, anders wordt het niks. Maar dat zijn meer de arbeiders. Maar de voorschriften, symboliek en verhalen en ideeën over het ambacht werden dus wel onderdeel van een bredere traditie waar de vermetselarij uiteindelijk uit voortkwam. Het regensgedicht
Van Gilde Naar Vrijmetselarij
Sandervormde daarmee een van de vroegste schriftelijke vensters op die traditie. Het manuscript raakte lange tijd enigszins op de achtergrond, maar in de 18e eeuw bevond het zich in de koninklijke bibliotheek van Engeland. En toen koning George II in 1757 de Royal Library aan het British Museum schonk, kwam het manuscript in die collectie terecht en daaruit dankt het ook zijn naam Regus, want Regus is Latijn voor koninklijk. Pas in de 19e eeuw werd het belang ervan voor de geschiedenis van de vrijmets opnieuw onderkend, dus dat is pas in de 19e eeuw. De geleerde James Halliwell bracht de tekst in 1840 onder de aandacht en publiceerde hem. Sindsdien geldt het regisgedicht als een van de belangrijkste vroege bronnen voor wie de historische wortels van de vrijmets wil begrijpen. Wat we zometeen gaan horen is dus niet zomaar een oud gedicht. Het is een tekst die ons terugbrengt naar de wereld van de middeleeuwse bouwmeesters, waarin vakmanschap, religie, moraal en de onderlinge verplichtingen van het ambacht nauw met elkaar verbonden waren. Genoeg achtergrond.
Voorlezing Begint Euclides En Geometrie
SanderLaten we gaan luisteren naar het regiusgedicht. Oké, hou je vast, daar gaan we. In het navolgende zal ik proberen u de kunst van geometrie te leren, een achtergronden van Euclides wetten, waar we voortdurend op dienen te letten. Men moet in staat zijn innerlijk te beleven wat in dit zeer oude boek wordt beschreven. Over zorgen van voanstaande heren en die met hun vrouwen moesten proberen hun kinderen degelijk op te voeden en voor werelds ellende te behoeden. Als ze de ouders aan geld en goed ontbrak, zodat voor hen dreigde leed en ongemak, dus maakten ze moeilijke verre reizen, zoekend naar krachten om te onderwijzen, hoe kinderen voor een zelfstandig bestaan goed en doelmatig door het leven moesten gaan. Ze hoefden nergens doekjes om te winden, baden dat hun kinderen werk zouden vinden, dat hen door het leven zou kunnen dragen, dat ook hun eerlijkheid zou blijven schragen. Men leerde ze trouw zijn aan geometrie, de kracht der oude massonnerie. Normen werden in het onderricht gegeven, hoe volgens koninklijke kunst te leven. Wie vrij wil leven en eerlijk en oprecht volgde wetten en symbolen vastgelegd. Door het gebed van moeder en vader kwam in hun brein de goede kracht steeds nader. Hij deed bij het leren zijn uiterste best en stak als nummer één uit boven de rest. Toch bewonderde zijn eigen klas hem zeer, want hij was veel knapper en hij wist veel meer. Euclides bleef niet de min zeer bescheiden en wilde niet dat vrienden hem benijden. Ook bleef hij graag bereid om te proberen aan vrienden en aan verwanten te leren, hoe men de wiskunde in alle klaarheid moest zien als leer van wetten en waarheid. Aan wie de moeite nam om hem te vragen, was hij bereid zijn wetten te overdragen. Weldra werd hij alom door iedere geroemd en door alle eerbiedig meester genoemd. Later werd door Hem tot meester verheven, ieder die blijk van begrip had gegeven, mee te bouwen aan een geestelijke kerk die hij plachte te noemen het Grote Werk. De tempel der mensheid is het fundament dat gebouwd moet worden met het geestelijke cement, en waarvoor de meesters hun speciven door goed en waardig en edel te leven. En voor het bereiden van de juiste species behoeven zij kennis van geometrie. Metselen en slijpen aan de ruwe steen hebben alle meesters als broeders gemeen. In Egypte is geometrie ontstaan en is toen vandaar de wereld ingegaan. Toen Ethelstejn in Engeland regeerde, bleek dat men daar deze kunst ook reeds leerde. In zekere tempels en geheime scholen werd onderricht tot eer van God bevolen. Het maakte mensen wijs en innerlijk sterk, derhalve goed geschikt voor het grote werk. Om mensen tot ware broeders te maken, die niet in enig conflict konden raken. Omdat zen wilden blijven streven, de mensheid vrijheid en vrede te geven. Zo smeden zij dus een hechte broedeband, die ging van mens tot mens en van land tot land. Zo leerde de mensen met goed fatsoen Godes welgevallig werk te doen, waarmee zij in hun onderhoud konden voorzien en anderen het vak konden leren bovendien. Zo vonden de mensen eindelijk zekerheid en waren van grote zorgen en angsten bevrijd. De geometrie maakte hun denken vrij. Zo ontstond de leer der vrijmetselarij. De geleerden en de vaklieden samen drachten zich zo goed mogelijk te bekwamen. In geometrie vonden zij Gods wetten om landmerken voor het leven uit te zetten. De leer om zo goed door het leven te gaan, trok vanzelfsprekend ook wel anderen aan. Even velen zochten u dank des schodes gunst te leven volgens de koninklijke kunst. Wie goed zijn best deed, ging zijn eigen gang. Verkreeg door bekwaamheid een hogere rang. Die kans werd wel geboden aan iedereen, want hiervan uitgesloten werd er niet één. Zo metsele zij in deugd en trouw aan de ideale geestelijke bouw. Die wij nu de tempel der mensheid noemen, en waarvan nog velen zich bouwers noemen. Gezine burgers uit menig stand en land werkte met vorsten en edele hand in hand. Zij steunde elkaar waar of ze maar konden, en voelde zich zeer met elkaar verbonden. In menig land stichtte ze nieuwe groepen op wier hulp zij zich steeds konden beroepen. Dit groeide uit tot een sterke orde die niet optrad als menig wilde hoorde. Maar goed geleid en met passen en meten, de drang volgde van het eigen geweten. Ze voelde zich sterk met elkaar verbonden door vijftien wetten die ze geleidelijk vonden.
De Vijftien Wetten Van Het Gilde
SanderEn dan komen nu de vijftien wetten. De eerste wet. De meester moet steeds kunnen vertrouwen. De meester moet men steeds kunnen vertrouwen. Men moet volledig op hem kunnen bouwen. Trouw, eerlijk en beheerst en steeds recht door zee, want daar komt men in het leven het verste mee. Hij dient zijn knechten goed te betalen zonder hen het vel over de oren te halen. Ieder moet krijgen zijn rechtvaardig deel, maar dat betekent niet allen evenveel. En ieder krijgt naar zijn rang en vaardigheid het juiste loon voor prestatie en arbeid. De leerlingen, de meesters en gezellen zullen nooit en nimmer kunnen vertellen dat iemand wie dan ook wordt voorgetrokken, want slechts op die manier volkomt men brokken. De tweede wet. De tweede wet van werkelijk meesterschap is zich te hoede voor smaat en achterklap, terwijl hij trouw ter loge behoort te gaan, wanneer daartoe weer een oproep is gedaan. Van die plicht kan hij slechts worden ontheven, als hij een geldige reden kan geven. Slechts ziekte, ongeval en zo kan gelden, maar wel dient men zulks dan tijdig te melden. Opdat als het gulden boek wordt opengeslagen, niemand naar de reden van verlet hoeft te vragen. De derde wet. Meesters mogen geen leerling accepteren die niet grondig het vak kunnen leren. Ze moeten in staat zijn om hem te voeden, zeven jaren lang hem voor kwaad te behoeden en hem zo te verzorgen en te kleden, dat men in Hem vertrouwen heeft en ziet dat de meester hem met zorg omgeeft. De vierde wet. De meester moet er voort zeer voor waken dat onderleerlingen geen slechten raken. Die als ze in een andere loge werken in het uitvoeren van opdrachten doen merken, dat ze in het werk niet al te nauwkeurig zijn. Zulke slordigheid doet ware meesters pijn. En schaat het aanzien dat het gilde geniet. Dergelijke krachten heeft men liever niet. Zelfs al is zo'n leerling van heel nobel bloed. Ook dan doet slordig werk het aanzien geen goed. Een goed vakman staat borg voor kwaliteit, een onhandig gezel is men liever kwijt. En moeten meesters en gezellen vragen dat zij zich elders beter gaat bekwamen. Al is de gezel nog zo nobel van bloed. Een slecht vakman doet meestal meer kwaad dan goed. Dat moet de meester steeds voor ogen staan. Wie niet bekwaam kan worden, moet hij laten gaan. De zesde wet. De meester merkt op den lange duur heel wel, niet al zijn mensen werken even snel. Hij moet hem belonen naar werk en naar tijd en ook al geeft dat soms evenadigheid. Een leerling verdient minder dan een gezel. Dat een gezel meer krijgt, begrijpt ieder wel. De meester moet duidelijk laten merken dat ieder beloond wordt naar eigen werken. Hoe beter men zich inspant, hoe meer men krijgt als het moeilijke werkstuk ten einde neigt. De zevende wet. De zevende wet moet de meesters leren dat het verboden is om te proberen voedsel aan dieven en rovers te geven of hen te helpen om verder te leven. Mocht iemand die een mens heeft doodgeslagen, aankloppen en om drank en voedsel vragen, geef geen gehoor aan diens bidden en smeken, distantieer u van hun slinkse streken en zorg dat g u niet hoeft te schamen voor omgang met lieden met slechte namen. De Achtste wet. Mocht de meester bij een leerling ontdekken dat hij behept is met wat zwakke plekken, die het absoluut onmogelijk maken hem tot die perfectie te doen geraken, die nodig is voor dergelijk vakmanschap, zo verwijderde hij die man heel rap. De meester heeft het altijd in eigen macht hem te vervangen door een betere kracht. De vakman kent men uit zijn werk en dade, slecht werk kan het gehele gilde schade. De negende wet. Een goed meester dient te zijn wijs en sterk, steeds bedacht op de kwaliteit van zijn werk. Hij weigert het werk dat boven zijn macht gaat, behoed zich voor praten en onzinnige praat. Blijft hij verantwoordelijkheid bewust, dan groeit en bloeit zijn zaak en leeft hij gerust. De tiende wet. Deze wet wil leerlingen en gezellen heel duidelijk en zeer goed vertellen, dat ze over elkaar geen baas mogen spelen. Elkaar met ik weet het beter vervelen. Ook meesters moeten het euvel vermijden elkaar de loef af te snijden. Zij moeten zich wel als broeders gedragen en zich dus niet over elkaar beklagen. Het behoort tot massonieke normen dat leerling en gezel een eenheid vormen. Om met meester in wiens dienst zij staan, onvoorwaardelijk dezelfde weg te gaan. De spal staan voor elkaar in lust en in nood, want slechts gezamenlijk verdienen zij het brood. Het werk wordt betaald in Engelse ponden, maar wordt een der meester schuldig bevonden, omdat zijn meester het werke heeft gestaakt, daar hij met zijn broodheer in onmin is geraakt. Dit over te nemen en voor te zetten, dan moet elk lid van het gilde dit beletten. Zij dienen met grote zorg ervoor te waken dat onderkruipers niets stuk kunnen maken. Zo wordt de eenheid dan door niemand verstoord en elk doet zijn plicht zoals het behoort. De elfde wet. Een ware meester blijft er steeds op bedacht zijn knechten niet te doen werken in de nacht. Maar mocht het onverhoopt niet anders kunnen, moet hij ze desdaagse compensatie gunnen. Hij moet ervan bewust zijn dat het niet mag, dat knechten werken des snachts en overdag. En hij moet er constant voor blijven waken, dat ze ook niet ziek of overwerkt raken. De twaalfde wet. Als er een vergadering wordt belegd, dan is het alleen maar juist en terecht dat in alle tijden wordt vermeden dat daar alleen maar meesters optreden. Leerlingen en gezellen weigert men niet evenmin als de sheriff van het gebied. Nog minder de burgemeester van de stad, leden van aandel en die van de raad. Zij brengen het gilde mogelijk nog baat. Men bespreken daar alles in eer en deugd. Een redelijke discussie brengt alleen slechts vreugd. Men kwweekt dan vriendschappen voor heel het leven door zich daar broederlijk te geven. Elke poging om de orde te verstoren, dient men terstond in de kiemal te smoren. En wie dan toch zou willen proberen, die moet men terstond laten arresteren. De dertiende wet. Ieder moet zweren nooit te zullen stelen of met een andermeld te gaan spelen. Alle oneerlijkheid moet worden vermeden. Dit gelde dan ook voor familieleden. Men brengt dus geen schande over het werk en maken de band met de meester recht sterk. De Viertiende wet. Een meester moet zich weten te beperken, niet meer leerlingen nemen om te werken. Dan nodig om zijn werken uit te voeren. Bedenken dat vele gevaren loeren. Als hij groter wil schijnen dan hij echt is, te veel maakt moeilijk en alles gaat mis. Tot slot moet heel duidelijk worden gezegd dat de meester moet zijn vriendelijk en oprecht. Hij streeft niet naar meer orders door te liegen of door zijn collega's listig te bedriegen. Hij weerhoudt al zijn leerlingen van het kwaad en zorgt dat alles naar recht in orde gaat. Dat waren de vijftien wetten, dan nu aan vrouw.
Aanvullende Bepalingen En Morele Regels
SanderVullende bepalingen die bekend staan als de Purus constitutionis. vastgelegd op een vergadering door koning Ethelstein. Eerste punt. In vergadering werd der enige tijd de wetten nog verder uitgebreid, nadat heren en meesters hadden bekeken of onduidelijkheid kon worden glad gestreken. Allen dienden in God te geloven, de kerken gaan om Hem te loven. Ook diende elken te bidden voor het werk, want slechts daardoor blijft het oude gilde sterk. En wat verder nog belangrijk werd genoemd, wordt u nu in de volgende punten genoemd. Tweede punt, slechts wie de hele week zijn plicht heeft gedaan, kan veilig en wel gemoed te kerken gaan. De vrije zondag belone meester en knecht, het is wel een genade, maar nog geen recht. Derde punt. Leerling en gezel dienen te bedenken dat de meester hen vertrouwen moet schenken, en der halve zeer zeker mag verwachten dat zij niet naar anderen gaan met klachten. Zo de zulke bij hen al mochten bestaan, dienen zij rechtstreeks naar de meester te gaan. Ze open en bloot met hem te bespreken en vermijden om wantrouwen te kweken. En wat zij in het werk ook te horen krijgen, ze dienen daarover steeds te zwijgen. Zij, die zich naar eer en geweten bekwamen, zullen nimmer het vertrouwen beschamen. Vierde punt. Tijds het werk fout te maken kan iedereen. Wij hebben dat alle met elkaar gemeen. Maar het wordt aan iedere werker ontraden om met opzet des meesters werk te schade. De leerling, gezel en meester, zij weten, wie vals is, wordt uit het gilde gesmeten. Alle meesters bepalen zonder schromen dat hij niet meer meer mag worden opgenomen. En waar hij zich ergens als werkman aanbiedt, men stuurt hem prompt weg, want men wil zo een niet. Alle broeders handelen, leerling en gezel. Dan is het leven goed en gaat alles wel. Vijfde punt. Elke leerling moet evenals de gezel gehoorzamen aan des meesters bevel. De meester moet hen op tijd betalen, zodat zij het nodige kunnen halen. Hetwelk zij nuttig vinden voor hun leven, als zij ze onverhoopt omslag moet geven, is hij verplicht om die aanzegging te doen, tenminste voor het aanbrengen van de noen. Inbreuk op die regels is niet toegestaan, want dat zou de meester duur komen te staan. Over het zesde punt mag geen twijfel bestaan, want het gaat leerling, gezel en meester aan. Zou de werker samen soms ruzie krijgen, waarbij iedere schreeuwt en niemand wil zwijgen, waardoor zij ook de arbeid moeten staken om dan met elkaar bloedig slaagst te raken. Dan grijpen de meester krachtig in ter stond en snoere hij elke de kwalijke mond. En trekt voor de ergernis die het hem gaf van het loon van de raddraaiers een dag af. Soms zou Hij ook ermee kunnen volstaan en de twistzoeker niet met verlof laten gaan. Vrede op het werk is in ieders belang. Zo krijgt ieder het zijne naar werk en rang. Zevende punt. Mogen de goede God ons alles geven een lang en gezond, goed en deugdzaam leven. Men handel de wijs en nimmer dwaas door naar bed te gaan met de vrouw van de baas. En ook de meester late zeer bewust de vrouwen van al zijn personeel met rust. Zou enig leerling toch een zonde begaan, dan is het met zijn promotie gedaan. Bovendien heeft hij je dan omgevraagd dat hij met schande van het werk wordt gejaagd. En ieder zal met veel pijn moeten leren hoe zijn wilde hartstochten te regeren. Achtste punt. Wie de meester en collega's recht wil doen, behandelde hem vriendelijk en met fatsoen. En drage zorg dat geen onvertogen woord ooit op het werk of daarbuiten wordt gehoord. Men moet de meeste ere en vertrouwen, hij moet op zijn werkers kunnen bouwen. Wie zo heel zijn leertijd weten voltooien, zal in het leven hoge ogen gooien. 9e punt. Wie in een logje als steward moet werken, mag nimmer zijn tegenzin laten merken. Hij bediende ieder op zijn wenken om met een glimlach te dranken te schenken. Hij heeft voor collega's een vriendelijk woord en zorgen dat geen wanklank wordt gehoord. En ook al vindt hij het dienen niet fijn, hij weet dat ieder op zijn beurt het moet zijn. Bovendien wordt wel de broederschap versterkt, doordat men af en toe voor elk ander werkt. En ieder moet op zijn tijd zijn schulden betalen, geen uitstel zoeken met malleverhalen. En men moet er van meet af aanwennen dat men zijn financiën behoort te kennen. Men mag dus niet voor verleiding bezwijken, niet verder springen dan het stokste kan rijken. Ook hoort men niet bij anderen geld te lenen. Wie dat doet, staat niet meer op eigen benen. En kan dan in problemen geraken, waardoor hij ongewild zijn werk moet staken. Daar de meester zijn contract niet meer verlengt, omdat hij schande over de logje brengt. Een ieder houde dus steeds goed voor ogen met eigen waan heeft menig man zichzelf bedrogen. In de praktijk zal een ieder wel leren dat wie op anderm zak wil teren. Als spoedig door zijn vrienden wordt verlaten. Een egoïst heeft men heus gouw in de gaten. Men mijd zijn gezelschap en laat hem begaan. Het is dan ook op het werk met de vriendschap gedaan. Tiende punt. Van iedere meester mag worden verwacht dat hij op goede vorme blijven bedacht. Men moet hem op zijn woord kunnen vertrouwen en op zijn belofte ook kunnen bouwen. Hij geeft zich niet over aan wat achterklap en mijd elk roddelend gezelschap heel rap. Wa nodig staat Hij voor vrienden op de bres en leest roddelaars gevoelig de les. Wel weet hij dat list en bedrog vroeg of laat niet alleen hemzelf, maar ook anderen schaat. Hij die door slecht werk het vak in opspraak brengt of opdrachtgevers met kwaade woorden krenkt. Schenkt niet alleen zijn eigen goede naam, maar bezorgt heel het gilde een slechte naam. Zoiets kan niet worden getolereerd. Hij moet verwachten dat het gilde zich nu weert. Men dient hem volgens de oude Gildewetten voorlopig verder werken te beletten. Hij moet door een broederaad worden gehoord, en hij krijgt ter verdediging het woord. Maar als blijkt dat hij het werkelijk heeft verbruikt, dan sluit men hem als lid van het gilde uit. Voor goed misschien slechts voor bepaalde tijd als straf voor slecht werk en onoplettendheid. Elfde punt ziet de meester de steen slecht behouden, dan zal Hij hem wijs en zeker berouwen. Als gij niet ingrijpt om te proberen het uiteenvallen ervan nog te keren. Men mag het materiaal nimmer verspillen en dient daarmee steeds het goede te willen. En toont hij de leerlingen hoe het wel moet, dan wordt ook hun werk geleidelijk toch goed. Hij moet dus leren met geduld en beleid. Een goed werker worden kost meestal toch tijd. En gaat er iets mis, dan wordt hij niet kwaad. De een begrijpt vlug en de ander pas laat. Ook hier geldt steeds voor wie aan iets begint. De oeroude regel slechts de aanhouder wint. Twelve punt. Eens per jaar komt heel het gilde bij elkaar, meester gezel en leerling treffen zich daar. Zij bespreken hun positie in de stad en ook ergenis die ze hebben gehad. Met plaatselijke overheden herdenken de broeders die zijn overleden. Ze bespreken het belang van de stad en de land, wat ze graag willen dienen hand in hand. Met de burgemeester en de hele raad en ze zeggen dan precies waar het op staat. Ze nodigen dus de burgemeester uit omdat men niet graag op weerstanden stuit. De politiechef en de gemeenteraad en wie nog belangrijk is voor stad en staat, zodat hun plannen hun steun zullen krijgen, zo brengt men vooraf kritiek al tot zwijgen. Het werk dat met vereende krachten wordt gedaan, sterkt ieder tot vreugd en blijft lang bestaan. Dertiende punt. Het dertiende punt is hun alleheer lief. Zij zweren om nimmer te worden een lief. Nog om iemand of elkaar te bedriegen of onnodig een broeder voor te liegen. Zij achten en eren voor altijd elkaar. Hun ja dat is ja, en hun woord dat is waar. Veertiende punt. Het veertiende punt herinnert aan de wet en eist dat elke meester erop let dat de leerling en gezel in trouw fatsoen hun eens gezworen eet gestand blijven doen. Ook zelf moet hij indachtig zijn aan de eet die Hij zelf het gilde en de koning deed. Zijn trouw moet steeds boven elke twijfel staan, zodat men veilig met hem in zee kan gaan. Ook moeten allen heel duidelijk weten dat mocht men hoe dan ook zijn eet vergeten, en mocht men voor verleidingen bezwijken, dat stellig voor het gilde gericht zal blijken, dat men bijzonder zwaar aan verzaken tilt. Men niet kan zeggen ik heb het niet gewild. Men blijft verantwoordelijk voor daad en gedrag en behoort te weten wat wel en niet mag. Vijftiende punt. Wie voor de overheden zijn eet heeft gezworen en zich niet gedraagt volgens goed behoren, loopt kans uit het gilde te worden verjaagd, zodat niemand hem ooit om te werken vraagt. Waar hij zich ook maar aanbiedt om te werken, laat men hem terstond heel duidelijk merken, dat men hem niet langer meer kan vertrouwen, en dan zal het hem pas hevig berouwen. Al wat hij leerde, werd tot verloren tijd. Hem wacht alleen maar nog meer. Het gilde schrapte hem voorgoed uit haar boeken. Hij zal naar ander werk moeten zoeken. En dat is de laatste strove uit het regiusgedicht.
Reflectie En Vooruitblik Naar Oude Plichten
SanderDan is het wel interessant om de volgende aflevering te horen met de oude plichten. En dan kan je ook horen hoeveel uit het regiusgedicht is overgenomen naar de oude plichten of de constituties. Hopelijk vond je het leuk om eens te horen. Ik vond het heel interessant, heel moralistisch. Een hele duidelijke link naar de vrijmets, terwijl dit eeuwen daarvoor al genoteerd is. Dus tot de volgende aflevering over de oude plichten.
Contact En Steun Voor De Podcast
SanderBedankt voor het luisteren naar deze aflevering van de Vrijmetselaars Podcast. Ik vind het leuk als je contact met me opneemt. Dit kan via Instagram of Facebook. Zoek in beide gevallen op Vrijmetselaars Podcast en je kan me ook een mailtje sturen op vrijmetelaarspodcast.gmail.com. Vanaf aflevering 30 is er van elke aflevering een transcriptie beschikbaar. Deze transcriptie is te vinden op de website van de podcast. Luister je graag naar de Vrijmetschelaars podcast en waardeer je de afleveringen. Dan kan je nu ook een voi geven. Dit kan via voor jepod.com en VoiePod is met D van podcast. Of klik op de Support de Show link onderaan de show notes. Tot de volgende aflevering.
Podcasts we love
Check out these other fine podcasts recommended by us, not an algorithm.
Craftcast: The Freemasons Podcast
United Grand Lodge of England